III. ANTHONI LENAERTSSEN

 

GENERATIE III

 

III. Anthoni Lenaerts, ged. 27-12-1592 (get. Machiel Jans, Henric Adriaens, Cornelis Jansen, Lincken Marinussen en Willemken Claes). Waar hij zich beroepsmatig mee bezig hield is onbekend. In vroegere genealogieën staat vaak dat hij ‘ventjager’ is. Dit is onjuist. Zie kadertekst. Hij huwde na 1610, maar voor 1615 met Quiryntke Myns. Zij is eerder met een Lieven gehuwd geweest. Uit haar en deze Lieven een zoon die Adriaen Lievenssen heet.[1] In de akte uit 1669 blijkt dat hij een halfbroer is van Jan Anthonissen. In december 1665 is Adriaen vier à vijfenvijftig jaar. Dan moet hij rond 1610 geboren zijn. Voor meer informatie zie bijlage ADRIAEN LIEVENSSEN.

 

[1] WBA, NA BoZ inv. nr. 0119, akte 54: 22 mei 1669 (notaris Adriaen van der Creke junior)

 

 

Handmerk op akte uit 1598

 

 

 

 

 

 

 

Handmerk op akte uit 1631

In het begin van de zeventiende eeuw loopt er in Bergen op Zoom nog iemand rond die wordt beschreven als Anthuens, Theunis of Anthony Lenaertssen. Dat hij ouder moet zijn dan de hierboven staande in 1592 geboren Anthoni Lenaerts blijkt een akte uit 1598 waarin een obligatie met borgtocht voor een ‘waterschip’ [1] geregeld wordt. [2] Anthuens Lenaertssen treedt hier op als getuige. Hij laat op die akte zijn handmerk zetten door zijn vader. Een kenmerkend handmerk dat ook op latere akten verschijnt. Onder andere op een akte gedateerd 28 oktober 1631. [3]

 

In dit testament worden ook zijn echtgenote Neelken Engels en zijn kinderen Adriaen, Tanneke, Adriaenken en Lenaert genoemd. Hierdoor en door het handmerk kunnen we weten dat het niet onze Anthoni Lenaerts is. In 1619 is er een Anthoni Lenaerts deken van het Schippersgilde. De in 1592 geboren Anthoni is dan 27 jaar. Dat is jong voor deze functie. Het is aannemelijker dat de oudere Anthoni Lenaerts deze functie vervulde.

Wanneer een Anthoni Lenaerts in 1629 gezworene is van het Schippersgilde staat achter zijn naam ‘ventjager’. Gezien de latere generaties van de familie Touw die zich bezighielden met de visserij en het schippersvak was het aantrekkelijk om de zaken die te voorschijn kwamen uit de gildegegevens en de notariële akten van de oudere Anthony Lenaertssen te koppelen aan de in 1592 geboren Anthoni Lenaerts.

 

[1] Er waren verschillende soorten waterschepen. Vis kon levend en wel in waterschepen vervoerd worden. Vooral zoetwatervis werd zo vervoerd. Dan waren er waterschepen die schoon zoetwater van de Vecht naar de bierbrouwerijen in Amsterdam brachten. Een derde soort ‘waterschip’ bracht schoon zoutwater naar de zoutketen. Het van elders aangevoerde ruwe zout wordt opgelost in het schone zoute water en geraffineerd.

[2] WBA, NA BoZ inv. nr. 0005, akte 549: 8 juni 1598 (notaris Anthonius Molkeman)

[3] WBA, NA BoZ inv. nr. 0050, akte 27: 28 oktober 1631 (notaris Jan van Wesel

 

 

Uit het huwelijk Anthoni en Quirijntke drie kinderen bekend:          

1. Jan Anthonissen, ged. 15-03-1615, volgt IV

2. Cornelis Anthonissen, als Cornelijs Antuenijs, broer van Jan Anthonissen, op akte van 22 mei 1669. Zelfde akte noemt hem en bovenstaande Jan, halfbroers van Adriaen Lievenssen.[1] Cornelis wordt in een akte van 23 maart 1659 schipper en arbeider genoemd. Ook hier een duidelijke handtekening. Huwde 1e met Dingentge Pieters en huwde 2e op 29-07-1668 met Adriaentge Matthijssen, weduwe van Nicolaes Lanoij, out-schoenmaker. [2] Cornelis maakt zijn testament op 19 april 1676. Hij laat alles na aan Adriaentjen Matthijs en aan zijn voorkinderen zes gulden elk.[3] Cornelis en Adriaentge leven nog in 1680.[4] Adriaentie maakt dan haar testament waarin zij regelt dat al haar goederen na haar overlijden zullen teruggaan naar haar familie. Kinderen worden niet genoemd.

Uit Cornelis en Dyngentje:

a. Adriaentje, ged. 24-06-1644 (get. geen)

b.Teuntje, ged. 05-06-1646 (get. Geertruit Cornelis)

 3. Catelijne Anthonissen (ook Catelijne Antheunis, Lyntje Anthonis en Lynken Teunen) geb. circa 1621 [5], huwde Hubrecht Jacobsen (ook

 Huijbrecht en Huybrecht Jacobssen), pottenbakkersleerjongen 1659[6], potmakersknecht 1662.[7]

Uit Catelijne Anthonissen en Hubrecht Jacobssen:

a. Teuntje, ged. 09-08-1644 (get. Jan Claissen, Hendryck Cornelis en Framsken Govaerts)

b. Adriaentgen, ged. 30-12-1646 (get. Maijken Jacobs, Antonij Sander en Lijsken Mollen) † jong.

c. Antonij, ged. 25-04-1649 ( get. Adriaen Lievens, Maeyken Adriaens en Stoffelyne Daniels)

d. Adriaentien, ged. 18-05-1651

e. Hubrecht, ged. 18-03-1654 (get. Neleken Graeff)

f. Krijn, ged. 18-08-1656 (get. Maetge Jacobsen en Anneken Gillis)

g. Maeijken, ged. 11-04-1659 (get. Pieter Cornelissen en Leuntie Cornelis)

h. Janneken, ged. 30-08-1662

 

 

[1] WBA, NA BoZ, inv. nr. 0119, akte 54: 22 mei 1669.

[2] WBA, NA BoZ, inv.nr. 0118, aktenr. 80, 13-07-1668 (notaris Adriaen van der Creke)

[3] WBA, NA BoZ, inv.nr. 1140, aktenr. 73, 19-04-1676 (notaris Joris van Rinckhuysen)

[4] WBA, NA BoZ, inv.nr. 0166, aktenr. 49, 24-10-1680 (notaris Joris van Rinckhuysen)

[5] WBA, NA BoZ, inv.nr. 0073, aktenr. 227, 29-12-1649 (notaris Govaert Stempel)

[6] WBA, NA BoZ, inv. nr. 0083, aktenr. 105, 23-11-1659 (notaris Govaert Stempel)

[7] WBA. NA BoZ, inv. nr. 0086, aktenr. 31, 30-03-1662 (notaris Govaert Stempel)

 

HEKSERIJ

 

Catelijne Anthonissen (ook Lynken Teunen) geloofde in heksen en was bij twee spraakmakende zaken betrokken. In beide gevallen beschuldigde zij een vrouw van tovenarij. In het eerste geval zou haar eigen man Huijbrecht Jacobssen betoverd zijn en in het tweede geval Gillis Philipssen de man van haar schoonzus.

 

Maijken Henrickx, weduwe van Willem Dignussen, arbeider, deed aangifte van belediging en mishandeling door Lynken Teunen, vrouw van Huybrecht Jacobssen, potmakersknecht. Ze was niet alleen in haar eigen huis geslagen maar ook buiten op des Heerenstrate. Binnen richtte Lynken vernielingen aan.’Kasten, spinde en de schapraai’ [1] werden opengetrokken. Lynken schold haar uit voor ‘hecksche , hoere en vercken’. [2]

 

Een jaar later ging Lynken, ze staat nu als Cathelijne Anthonis te boek, samen met haar schoonzuster Maijken Jacobs, vrouw van Gillis Philipssen, potmaker, naar het huis van waarzegster Cornelia Sijmons. Gillis, eigenaar van potterij Het Zeepeerdt, sukkelde met zijn gezondheid en met de zakelijke kant van zijn potterij ging het ook al niet goed. Volgens beide vrouwen was er sprake van hekserij. Maijken Jacobs liet zich nu door de waarzegster ‘coppen’, dat wil zeggen ze kreeg glazen kopjes op plaatsen waar kleine sneetjes in de huid waren gegeven. Deze kopjes werden ondersteboven boven een brandende kaars gehouden, hierdoor werden zij luchtledig en zogen zich vast op de huid. Het bloeden werd hierdoor bevorderd. Het was een vorm van aderlaten. De waarzegster beweerde dat ze aan het bloed kon zien wat er gaande was. Zij vertelde dat de man van Maijken betoverd was en wel door Lisken Adriaens Mol, de vrouw van de in Kalmthout wonende oom van Gillis, die Jan Antonissen heette en ook pottenbakker was. Zie akte 1649  1649

Lisken was als Lijsken Mollen op 30 december 1646 nog getuige geweest bij de doop van Adriaentgen een dochtertje van Cathelijne. Toen was alles nog pais en vree.

Lisken Adriaens Mol zette een proces in werking om haar naam te zuiveren. Dat lukte en Cornelia Sijmons werd zelf als heks veroordeelt. Zij kreeg levenslang opsluiting. Gillis Philipssen, Maijken Jacobs, Huijbrecht Jacobs en Cathelijne Anthonis moesten door het stof en op 8 januari 1650 verklaren zij dat Lisken een fatsoenlijke vrouw was op wie niets aan te merken viel. Het hele verhaal van de van tovenarij beschuldigde Lisken is te lezen in artikel “Cornelia Simons en de betoverde pottenbakker’ gepubliceerd in het periodiek ‘De Waterschans” van de geschiedkundige kring van Bergen op Zoom. [3]

 

 

[1] Zowel spinde als schapraai staat voor kast met legplanken, spinde meestal als provisiekast en schapraai als bergplaats voor potten, pannen en schotels.

[2] WBA, NA BoZ, inv.nr. 0043, aktenr. 131, 31-10-1648 (Jan van Wesel)

[3] De Waterschans, 1 september 2010, p. 8 e.v.

 

Terug naar  II. LENAERT MARINUSSEN

           Verder naar IV. JAN ANTHONISSEN